Een goed mens worden

Een goed mens worden. Steeds weer keert Marcus terug tot dit doel. Ook in zijn tijd waren ambities en ‘uiterlijk vertoon’ de doelen waarop mensen zich richtten. Wat dat betreft zijn z’n overdenkingen tijdloos: toen en nu richten wij mensen ons op ‘uiterlijke prestaties’ om ons goed te kunnen voelen. Of in ieder geval een gevoel van betekenis te ervaren; er toe te doen.

Begrijpelijk, natuurlijk en menselijk, maar ook een kwetsbare manier om je identiteit en waardigheid aan te ontlenen. Omdat we daarin kunnen falen of de wereld ons in onze mogelijkheden begrenst. Daarnaast zijn er ook andere kwaliteiten die we tegelijk met onze ‘wereldse ambities’ tot ontwikkeling kunnen brengen. Deugden van ons karakter die om zichzelf van waarde zijn en ons een onafhankelijke waardigheid kunnen verlenen. Omdat ze ons als mens vormen…

Omdat je de hoop hebt opgegeven een goed debater of man van wetenschap te worden, behoef je er nog niet ook van af te zien onafhankelijk, bescheiden, sociaal voelend en vol godsvertrouwen te zijn. Want het is zeer wel mogelijk een godgelijk man te zijn en door niemand gekend. (Boek 7, fragment 67) 
En dan heeft Marcus het opeens over god. Een verwarrend woordje, vooral in onze seculiere oren. Die god of goddelijkheid waarnaar hij verwijst, staat voor hem gelijk aan het grote geheel van de natuur waaruit we voortkomen en waarvan we deel uitmaken. Vertrouw daarop, zegt hij, op die grotere omvattender wereld waarin we bestaan. Daarin, in die verbondenheid met de wereld, beschikken we ook over een oneindige bron, waar vanuit onze kwaliteiten van karakter kunnen groeien.
Dit artikel is geplaatst in Aurelius. Bookmark hier de permalink.

Op dit artikel kan niet (meer) gereageerd worden.