“Niet langer alleen meeademen…

Marcus Aurelius schrijft in Boek VIII-54:

“Niet langer alleen meeademen met de lucht die je omringt…”

Wat vergeet ik makkelijk hoe innig ik verbonden ben met de natuur. Dat ik elk moment op intieme wijze afhankelijk ben van de mij omringende wereld. De lucht die ik inadem; een eindeloze en onvoorstelbare ruimte waarmee mijn longen in een open verbinding staan. Een open verbinding waarin een permanente uitwisseling plaatsvindt.

Wat maak ik mezelf toch permanent tot het centrum van de wereld. Ik, die gebruik maak van de noodzakelijke lucht, ik, die me daarvan bedien om me in stand te houden. Zo vanzelfsprekend dat ik me er geen rekenschap van geef. Door het woordje ‘meeademen’ word ik op een ander perspectief gewezen. Ik adem mee in een grotere beweging. Mijn ademtocht is een kleine draaikolk in een grotere getijdenbeweging. De ruimte buiten mij en de ruimte in mij – die ik mijn longen noem – zijn een geheel. Mijn lichaam maakt zo onafscheidelijk deel uit van de mij omringende lucht.

Wat denk ik hier weinig aan in mijn drukke stedelijke leven. Wat voel ik me daarin vaak losgesneden van mijn wereld. Regelmatig voel ik me er in verloren. Leef ik in een besef van afstand tot de wereld en het leven. Veel van mijn handelen is gericht om dichterbij het echte leven te komen: dingen najagen, dingen willen ervaren. Ik zoek een soort intensiteit en intimiteit met het bestaan, en denk dit door moeite en inspanning te kunnen bereiken. Ik vergeet keer op keer dat het leven al in mij is; en zich stilzwijgend in alle eenvoud in mij voltrekt.

Ik trek mijn wandelschoenen aan, sla mijn sjaal om en trek er maar eens op uit. De frisse herfstochtend in, het leven tegemoet in elke stap… in elke ademtocht.

Dit artikel is geplaatst in Aurelius, Natuur. Bookmark hier de permalink.

Op dit artikel kan niet (meer) gereageerd worden.